30-12-09

Níet de mens. De mensheid leert.

Er is een einde aan elke individualiteit. Dat einde ligt begraven onder die humorloze lagen op lagen van feitelijkheden zonder relativeren; onder zelfverheerlijking dus. & het is het begin van de vrees te sterven en de illusie iets te moeten doen met en in het leven. De dwangmatigheid ook dat we allemaal vanalles moeten leren. & Dus de illusie dat we moeten eindigen als wijze geleerden die hun plaats in de geschiedenis hebben moeten.

Als een biljartbal van keiharde persoonlijkheid die aangeschoten beweegt, maar dan op haar beurt anderen aanschiet en in een bepaalde richting beweegt, elke afwijking waarvan op zijn minst in gedachten meetbaar en beloonbaar (of bestrafbaar: karma is niet voor niets een konsept dat goed aansluit met het Westen). Een leven gelukt, of mislukt, afhankelijk van de beweging getraceerd te hebben die voorbestemd was. De plicht die vervuld wordt. De schuld die afgelost moest worden.

Dit is voor diegenen die beseffen dat de kans dat ze totaal vergeten worden (en het verdienen van totaal vergeten te worden) verpletterend groot is. Dat die kans zelfs - op termijn - één van onze weinige wereldse dingen is die uiteindelijk naar zekerheid neigt; iedereen wordt vergeten - meestal omdat iemand die hen kende iets geleerd heeft (mede dankzij hen) dat hen overbodig maakt (of, nóg laagbijdegrondser: dat aanspraak maakt op de beperkte kapasiteit der herinnering van wat het heden is).

De mensheid leert. En leren is vergeten. Vergeten van alles wat fout was. Zeker ook alles vergeten wat sommigen je manu militari wilden laten onthouden. De lessen die gespeld werden als was je brein een soort prikbord van de boodschappen van wat er vroeger zoal was. Leren is mensen vergeten. De lering van de mensheid ligt waar de individuele mensen verstaan dat hun individualiteit zacht is, en onvoorspelbaar - en onkontroleerbaar, en onmeetbaar - en het enige relevante dat ze te beiden hebben zelfs al vervliegt het terwijl ze nog leven.

De stroom van bewustzijn is verwarrend want hij vloeit nergens naartoe.

Is dit troost voor ons - die er maar niet meer in slagen ons die illusie aan te praten dat we iets meer zijn dan een welbepaald individu? In elk geval dan niet een troost van het wollige 'help je naaste'; overblijfsel van het semi-heroïsche missionariaat in de traditie van Drammeriaan. Het is de troost dat we dankzij onze voorouders meer zijn dan niemand; meer zijn dan het onbeschreven blad dat diende om anderen het schrijven te vergemakkelijken. Maar niet de troost dat we kunnen sterven zoals hen die ten tijde van onze voorouders machtig waren; sterven in het besef van de eigen grootsheid, als keizers niet beseffend hoe lachwekkend we zijn in onze illusie kleren te dragen die niet gezien kunnen worden door het gewone volk.

Peace!

 

De commentaren zijn gesloten.